Ben ik een schilder of houtbewerker?

‘Hout is onverzoenlijk. Een schilder, zelfs een groot schilder, kan halverwege van gedachten veranderen of over een ernstigste fout heen schilderen. Maar een fout in hout kun je niet goedmaken. Je moet begrijpen hoe hout denkt, hoe hout spreekt en wat elk geluid dat het maakt betekent. Net als maar heel, heel weinig andere levende dingen, sterft hout nooit.’
Hij leek Michelangelo wel die over marmer sprak.
André Aciman, Het raadsel van de liefde (2017)

Bij het lezen van dit fragment begon ik na te denken. Ben ik metaforisch gezien een schilder of een houtbewerker? Het antwoord laat zich al raden. Ik ben soms de ene en soms de andere. En vaak beide tegelijkertijd.

De schilder in mij is nu bezig, deze woorden op dit witte blad te “vereeuwigen”. Maar ondertussen werkt de houtbewerker mee op de achtergrond, met de vaardigheid van het schrijven zelf. Ik druk zeer zorgvuldig en zacht de toetsen in van mijn laptop, alsof ik het trage deel van een pianoconcerto speel. Heel voorzichtig. In mijn verbeelding ontwaakt het beeld van mij als kind in de dactylo-les. Dat was toen op een echte typemachine. Eentje waarvan ik vreesde ooit mijn pinken op te breken. Ik mocht leren typen op een erfstuk van mijn moeder, een groene Olivetti, ergens uit de jaren zeventig. Dat was als manneke van 10 jaar nogal een krachttoer.

De eerste les heb ik trouwens niet meegemaakt want ik lag in de zetel met rodehond, windpokken of mazelen. Ik zag mijn ma vanuit de zetel die week mijn lessen typen jklm jklm jklm jklm jklm en fdsq fdsq fdsq fdsq fdsq. De tweede les was al een stukje moeilijker, blind typte ik miljoenen keren (er ging een blaadje over de toetsen waar ik mijn handen onder moest steken) hjklm en gfdsq. Ik heb nooit echt gespiekt behalve die keer dat ik mijn huiswerk bijna was vergeten maken en het snel moest gaan. Ik herinner me ook het verhaal van de Kleine Johannes – behalve het verhaal zelf – dat we tientallen keren moesten overtypen. Je mocht voor je examen maar een minimaal aantal fouten hebben en moest 100 aanslagen per minuut bereiken. Geen idee of zulke lessen nog bestaan tegenwoordig of dat het alleen maar met duimen is. Of met spraakberichten. Ik heb er (denk ik) geen trauma aan overgehouden, aan deze legerdienst op kindermaat. Enfin, dit terzijde. Ik kom op dit beeld omdat wij toen geen fouten mochten maken omdat die onherroepelijk niet goed te maken waren. Er was gewoonweg geen backspace om de geslagen inkt op het witte blad te wissen. Er zat wel één iemand in de les die al een moderne elektrische schrijfmachine had waar die optie er wel op zat. Maar dat was verboden te gebruiken! Ik vraag me nu eigenlijk af hoe die machine dat deed, die typefout op dat blad herstellen. Enfin, dit ook terzijde. Want nu maak ik aan de lopende band fouten. Niet alleen typefouten, maar ook hele zinsconstructies die amper een bestaan kennen. Ik typ en oordeel vingervlug wat voor eeuwig terug gewist wordt – voor deze zin alleen al werden er veel meer letters en woorden geschrapt dan er nu te lezen zijn.

De schilder en de schrijver mogen en kunnen er dus op los fouten maken. Of van gedacht veranderen. Zelfs nadat het hier gepubliceerd is. Dat in tegenstelling tot mijn andere bezigheid, trombone spelen, dat ik vergelijk met houtbewerken. Wanneer ik in een concert een stuk speel met fouten en al, dan dendert dat geval gewoon door natuurlijk. Geen backspace of herkansing – behalve bij een plaatopname (de roddels die mij hierover bereiken is dat er wel het een en ander wordt herspeeld). Ik heb zelf een paar bootlegs van orkesten waarin ik speel. Ik kruip dan altijd zowat onder mijn stoel als ik mezelf hoor… Zeker nadat ik al tien minuten zit te wachten op dé fout die ik gespeeld heb en komen gaat in de opname. Dat onthouden van waar de fout is gebeurd, zit blijkbaar ook in mijn spiergeheugen. Dat is toch een ding merk ik, als er opnames zijn, dan ben ik toch een stukje meer gespannen. Dan passeert een fout niet zomaar.

Dit constant bewegen tussen beide – schilder en houtbewerker – terwijl ik schrijf, inclusief alle terzijdes en vertakkingen die opborrelen, is niet zoiets als een vaste identiteit kiezen, maar voortdurend kiezen wie ik ben in dat moment. Dat is toch wonderlijk bedenk ik me. Dat wij dat kunnen, wij mensen. Ik heb keuze. Keuze hoe ik er naar kijk. En zo mogelijkheden creëer. Het doet me denken aan Sartre met we zijn “veroordeeld tot vrijheid” – ik moet voortdurend kiezen wie ik ben. Dus ik ben niet iets vast of heb geen vaste identiteit. Ik ben mogelijkheid.

Het witte blad, digitaal of van papier, is een “leegte” die tegelijkertijd volheid is: een bron van mogelijkheden. Maar zodra ik een artefact creëer en dus een door mij gemaakte manier van kijken vast zet door te publiceren, is dit een constructie die lijkt gestold te zijn. Alsof dat een ding is die niet meer kan veranderen. Maar niets is minder waar. Al deze woorden die ik hier geschreven heb, zelfs gepubliceerd, zijn maar een momentopname. Het kan zijn dat ik morgen (oké, dat is misschien een beetje snel) compleet andere en tegenovergestelde ideeën heb. De kunst is dus om telkens opnieuw naar het witte blad terug te keren, zelfs binnen herhalingen zoals het schrijven van nieuwsbrieven als deze. Dat maakt zelfs muziek spelen telkens een nieuw avontuur. Het is wat ik doe, telkens wanneer ik een schrijfsel maak, het met een zo frisse blik mogelijk te bekijken. En dat kan een ander resultaat geven dan eerdere schrijfsels. Maar ik weiger om hier van fouten te spreken. Dat is waar mijn haar van recht komt als er in (sociale) media sommige vroegere uitspraken worden misbruikt van bepaalde mensen om ze in het nu mee rond de oren te slaan. Alsof die niet kunnen leren of voortschrijdend inzicht hebben of zelfs paradoxen en tegenstellingen niet mogen uitspreken, laat staan in welke contexten dat er gesproken wordt. [Laat dit dan een disclaimer zijn voor al mijn woordbrijerijen in verleden en toekomst].

Terwijl ik trombone speel of vroeger ambachtelijk typte en de tekst meteen op een wit blad werd gedrukt, zijn dat handelingen die ik met mijn handen uitvoer, met echt materieel. Er is een stuk lichamelijkheid mee gemoeid. Die ervaring is toch anders dan dit getyp op scherm. Een vreemde gewaarwording. Ik zie er ook niet meteen een belangrijke betekenis is. Het ene is niet per se beter dan het andere. Het voelt anders. En ik ben blij dat ik ook uit beide kan kiezen. Soms heb ik periodes dat ik veel meer schrijf met stylo. Dat indrukken van dat balletje op papier, dat heeft toch wel iets. Ik kan de vinger er niet opleggen. Het gaat in ieder geval een stuk trager. Soms is dat ook een alternatief voor rustiger aan doen, slow down. Wat ik vroeger, toen ik klein was, niet anders kende. Ik vind het fijn om soms terug te gaan naar die handvaardigheden.

Het is alsof elk materiaal – hout, papier, toetsen, trombone – zijn eigen taal spreekt en zijn eigen tempo heeft. De kunst ligt niet in het beheersen van één taal, maar in het luisteren naar wat elk moment vraagt. Soms de intense aandacht van de schilder (lees: schrijver) die kan herstellen en experimenteren. Soms de intense aandacht van de houtbewerker (lees: trombonist) die het onherroepelijke moment eerbiedigt.

Het begrijpen van hout vraagt om een vorm van vaardigheid die ver voorbij theoretische kennis gaat; praktische bekwaamheid die alleen door ervaring wordt verworven. Deze vaardigheid ontwikkelt zich geleidelijk, tot je bijna zonder nadenken weet hoe het materiaal zal reageren. Hout blijft ook “leven” lang nadat de boom gekapt is. Het reageert voortdurend op zijn omgeving, zet uit en krimpt met vochtigheid, werkt en beweegt volgens zijn eigen natuurlijke patronen. Een ervaren vakman heeft geleerd deze eigenschappen te herkennen en ermee samen te werken in plaats van ertegen te vechten. Elk geluid dat hout maakt – of het nu kraakt, knalt, piept of zucht – vertelt een verhaal over spanning, vochtigheid, de richting van de nerven, de kwaliteit van het materiaal.

Deze vorm van “weten” gebeurt via”intuïtieve eerste-orde-denken”: dat directe, niet op rede beruste begrip dat ontstaat door jarenlange omgang met het materiaal. Je leert luisteren naar wat het hout je vertelt, voelen wanneer een bewerking goed gaat, horen aan het geluid of het materiaal meegaat of tegenwerkt. Het is een vaardigheid die zich vestigt in het bewustzijn door herhaalde ervaring, tot je zonder bewuste analyse weet wat elk signaal betekent.

In die zin “sterft” hout inderdaad nooit – het blijft communiceren met wie heeft geleerd zijn taal te verstaan. Deze vaardigheid is geen aangeboren talent maar iets wat iedereen kan ontwikkelen door geduldig te leren van het materiaal zelf en van anderen die deze kunst al beheersen.

Iets wat alleen komt door in de tijd eindeloos te herhalen, door trage opbouw van vaardigheid die ik bij mezelf herken. Bij het trombonespelen merk ik dat mijn lichaam inmiddels “weet” wat het moet doen voor een bepaalde toon, zonder dat ik er altijd bewust over nadenk. Mijn adem vindt vanzelf de juiste spanning. Mijn hand beweegt naar de posities op de schuif alsof die een eigen spiergeheugen heeft. En dat na jaren van bewuste techniek, controleren, luchtsteun, toonladders repeteren, oefenen, oefenen en oefenen. Daarmee ga ik ervan uit dat intuïtie of buikgevoel aan te kweken is en aan te passen na verloop van tijd, door eerst bewust te leren.

Uiteindelijk is het niet zo dat ik moet kiezen tussen schilder of houtbewerker zijn. Het gaat er juist om beide vaardigheden te koesteren en te weten wanneer welke aanpak past. Soms heb ik de speelsheid van de schilder nodig – de moed om te experimenteren, te overschrijven, opnieuw te beginnen. En soms vraagt het moment om de diepe aandacht van de houtbewerker – om te luisteren naar wat het materiaal vraagt, om te vertrouwen op wat jarenlang werd opgebouwd in handen en geheugen. Mooi is misschien wanneer beide samenkomen: wanneer de intuïtieve vaardigheid van de ambachtsman de speelse vrijheid van de kunstenaar mogelijk maakt. Dan ontstaat er iets wat groter is dan de som der delen – een manier van werken die zowel vrij als vakkundig is, zowel spontaan als geworteld in ervaring.